Waarom speelt mijn peuter niet samen?


Leren delen is een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van kinderen. Peuters beginnen te leren wat van henzelf is en ze kunnen soms moeilijk eigen spullen afstaan. Ze kunnen spullen afpakken, een ander kind wegduwen of weigeren een favoriet speeltje te delen. Ouders met twee of meer kinderen kunnen dagelijks problemen met delen en samenspelen ervaren.

Peuters zijn meer op zichzelf gericht en kunnen zich nog niet verplaatsen in iemand anders.

Peuters vinden het leuk om met andere kinderen te spelen, maar dan spelen ze meestal nog niet samen. Wat je bij peuters ziet is dat ze naast elkaar spelen en speelgoed bijna nooit delen. We noemen dit parallel spel. Rond de leeftijd van 4-5 jaar begrijpen de meeste kinderen dat je iets om de beurt moet doen en hebben ze ook geleerd om te delen.

HOE VOORKOM JE PROBLEMEN MET DELEN?

  • Geef je kinderen aparte activiteiten als je niet op ze kan letten. Onderbreek regelmatig je eigen bezigheden en prijs je kinderen dat ze lief spelen.

  • Wees eerlijk. Behandel elk kind gelijk om onderlinge rivaliteit te voorkomen. Sta niet toe dat je jongste kind dingen afpakt omdat het klein is en het misschien nog niet begrijpt. Je andere kind kan zich hierdoor gefrustreerd gaan voelen als het een jonger kind altijd zijn zin moet geven. Er kunnen problemen ontstaan als oudere kinderen het spel overnemen en je peuter niet laten spelen. Grijp zo nodig in en zorg dat alle kinderen delen en samenspelen.

  • Behandel bezoekers hetzelfde als je eigen kinderen.

HOE LEER JE JE KIND OM TE DELEN?

  • Geef het goede voorbeeld. Dit kan je B.V. doen door een stuk van een koekje te geven dat je aan het eten bent of door je kind te laten meedoen met wat je aan het doen bent.

  • Kies boeiende activiteiten om delen en samenspelen te stimuleren. Verwacht nog niet van een peuter dat hij zich heel lang bezig kan houden met een activiteit. 5 minuten is voor sommige kinderen al genoeg. Breid dit geleidelijk uit.

  • Prijs je kind als het deelt. Doe dit niet alleen wanneer jij vertelt dat ze dit moeten doen, maar vooral als je ziet dat ze het uit zichzelf doen.

  • Spreek je kind direct aan als hij iets wil afpakken. Ga naar je kind toe en praat op ooghoogte. Zorg dat je de aandacht hebt van je kind. Roep dus niet op een afstand naar je kind.

OMGAAN MET PROBLEMEN OVER DELEN

  • Vertel je kind wat het moet doen. Als je kind iets afpakt of een ander kind wegduwt bij het speelgoed, vertel dan precies waarmee het moet stoppen. B.V. “Tom, stop met de bal afpakken als Eva ermee speelt”. Dan vertel je wat hij in plaats daarvan wel moet doen. “Geef de bal terug en wacht tot Eva klaar is”.

  • Gebruik een logische consequentie om je uitleg kracht bij te zetten. Als je kind binnen 5 seconden niet doet wat je hebt gevraagd, kies dan een consequentie die past bij de situatie. Pak bijvoorbeeld de bal af en geef het aan het andere kind. Leg uit waarom je dit doet. “Tom, je pakt nog steeds dingen af, Eva mag nog een keer 5 minuten met de bal spelen”. Gewoonlijk is 5 of 10 minuten niet mee mogen doen met de activiteit lang genoeg. Negeer protest of klachten. Ga niet in discussie met je kind.